Interview with De Standaard 15-06-2001
__________________________________________

Taken from De Standaard

Tine Hens

Mauro Pawlowski, monnik ten dienste van de rock
"Ik hoop dat niemand dit au sérieux neemt."


Het Limburgse muzieklaboratorium Mauro Pawlowski heeft de complexiteit der dingen laten varen. Hij opereert niet langer onder obscure groepsnamen als Evil Superstars of Mitsoobishy Jacson. Vanaf nu heet hij gewoon Mauro en acht hij het niet langer nodig te bewijzen wat hij allemaal kan. Zegt hij zelf.

" Oei, daar begint het al. Je moet nooit geloven wat ik zeg. Ik lees mijn interviews nooit na, omdat ik telkens weer verbaasd sta over de onzin die ik in zo'n gesprek uitkraam. Vroeger dacht ik dat ik tijdens zo'n interview interessant moest zijn. Van de spanning ging ik dan helemaal uit mijn dak, waardoor ik in mijn eigen nonsens verstrikt raakte. Maar blijkbaar vonden de interviewers dat fantastisch. Ze omschreven me gemakshalve als excentriekeling, specimen, natuurfenomeen. Originele titels, dat wel. En als ik ze las, dacht ik: ze hebben gelijk.

Enfin, waar waren we eigenlijk gebleven? Het overkomt me wel vaker dat ik de draad kwijtraak. Wat ik eigenlijk wilde zeggen: ik heb begrepen dat er van je verwacht wordt dat je de waarheid vertelt. Dat is het moeilijkste wat er bestaat. Want welke waarheid is dat dan? En wat is de waarheid? Ik zou het niet weten. Maar wat was de vraag, eigenlijk?" Euh, we hebben nog geen vraag gesteld. We wachten gewoon op de koffie. Juist, ja.

Mauro verontschuldigt zich. Omdat de koffie er nog niet is, omdat hij vijf minuten te laat is gekomen en omdat zijn uitleg misschien niet altijd even samenhangend zal zijn. Aan het eerste kan hij weinig doen, en het tweede en het derde hebben met de vorige nacht te maken. "Gisteren mijn dertigste verjaardag gevierd. Dat zeg ik nu tegen mensen die me vragen waarom mijn plaat rustiger en toegankelijker klinkt: 'Ik ben dertig geworden. Het hoeft allemaal niet meer zo Sturm und Drang .'

Hoewel, dat is ook weer een pose, natuurlijk. Uiteindelijk doe ik altijd waar ik zin in heb. Er is niets ingewikkeld aan. Het is hoe ik mijn werk organiseer. Want daar ben ik ondertussen voor mezelf wel uit: muziek is een baan als een ander. Ik schrijf muziek en treed op, een bakker bakt brood en verkoopt. Wat is het verschil?

Muziek heeft natuurlijk een romantische connotatie. Je hebt dat mysterieuze: hoe doe je dat, een song schrijven? Maar zeg eens: hoe doe je dat, een verdomd goed brood bakken? Dat is ook niet zomaar een recept. Er is een stuk techniek, een stuk ervaring en daarnaast nog het ongrijpbare: het talent. Dat is er of dat is er niet. En omdat het zo onzichtbaar en onvoelbaar is, ben je voortdurend bang dat je het zult verliezen. Dat gevoel heb ik toch. Ik heb geen enkele zekerheid dat het morgen nog zal lukken. Misschien dat ik daarom zoveel schrijf. De cd is nu uit, hij ligt in de winkel en we worden verondersteld de nummers van de cd tijdens een optreden te brengen, maar ik sta alweer twintig liedjes verder. Gewoon om mezelf er iedere dag van te overtuigen: jaja, het zit er nog, ik ben het niet kwijt. Ik heb muziek echt nodig. Het is een obsessie. Ik word ernaartoe gezogen.

Mauro jongen, dacht ik onlangs, neem enkele dagen vakantie. Je hebt hard genoeg gewerkt. Man, twee dagen en ik moest al een gitaar in handen hebben en liedjes schrijven. Ik liep de hele tijd te vitten en te kankeren. Ik weet nu bijna zeker dat ik zonder muziek weg zou kwijnen. Dat ik zou verschrompelen of keet zou schoppen. Zoals een monnik God nodig heeft en iedere dag ten dienste van God leeft, zo heb ik de muziek. Ik ben een monnik ten dienste van de rock. Is dat geen goede oneliner?''

Hij grinnikt. ,,Het is natuurlijk overdreven. Ik doe nu net alsof muziek een mystieke ervaring is, terwijl het vooral ontspanning en amusement is. Maar toch: muziek kan zoveel emoties losweken. Gewoon door een toon of een noot of een akkoord. Schrijvers zeggen altijd dat ze daar jaloers op zijn. Om te bereiken wat muziek in een seconde bereikt, hebben zij minstens vier hoofdstukken nodig. Ik heb veel ontzag voor de kracht van muziek. Het is nutteloos te vragen waar het 'm precies zit of hoe je het bereikt. Als ik aan een nieuwe song begin, kan ik alleen hopen dat het iets zal overbrengen en dat de luisteraar de vonk die aan de basis lag, zal herkennen.

Vroeger dacht ik dat een lied volledig vanuit het gevoel geschreven moest zijn. Dat het er in één ruk moest staan en dat het anders fake was. Ondertussen weet ik wel dat een song schrijven werken is. Het is schrappen en schaven. Rijmwoorden vloeien niet uit het gevoel voort. Naar rijmwoorden zoek je op een bijna gênante wijze, soms met het woordenboek op de schoot. Wat rijmt er op shame? Blame, game, same. Het is ontluisterend. Maar het doet niets af aan het oorspronkelijke moment van inspiratie, dat wortelde in een romantische mijmering, of in een gevecht met de tekortkomingen van het saaie, dagelijkse leven, of in iets ordinairs als de vorige toiletgebruiker die er het laatst velletje wc-papier heeft doorgejaagd. Dat is de kern die je zo puur mogelijk houdt en die het publiek raakt.

Met de jaren ben ik geoefender geworden in het songschrijven. Vroeger wilde ik vooral gitaarheld worden. Een tweede Jimi Hendrix. Het was het geluid van overstuurde gitaren dat me ontroerde. Stilaan is dat schrijven erbij gekomen. Eerst nog wat vaag en vol overbodigheden. Als negentienjarige werd ik door allerlei bijkomstigheden afgeleid. Ik wilde ongrijpbaar zijn, intrigerend, onbegrepen en nog van die puberale nevenverschijnselen. Nu besef ik dat ik niet te veel rond de pot moet draaien en gewoon moet uitdrukken wat ik voel, zonder er artistiekerig over te doen."

"Het is soms wel frustrerend dat wat je zelf maakt, nooit geheimzinnig is. Het is niet zo dat ik iets in een roes en schrijf dat ik daarna verbaasd ben over het resultaat. Ik weet redelijk goed wat ik doe en waar ik mee bezig ben. Ik wil bijvoorbeeld geen onverkoopbare platen maken. Ik heb me er al lang mee verzoend dat muziek niet zonder commercie kan. Het feit dat ik rechttoe-rechtaan rock speel, met drie akkoorden en een beat, is rechtstreeks verbonden met het feit dat ik geld moet verdienen.

Het is niet altijd een even aangename gedachte, want soms droom je ervan compromisloos te zijn. Met Evil Superstars en Mitsoobishy Jacson was dat meer het geval. Toen deed ik alsof ik me helemaal niets van de regels van de marketing en de commercie aantrok. We hadden wel een single, die nog succes had ook. Maar we speelden nooit een echt herkenbare versie van die single, tot ergernis van de platenmaatschappij. Op onze concerten gingen de mensen uit de bol, we hadden een trouwe aanhang, maar al die mensen waren even berooid als wij, dus verkochten we nauwelijks een plaat. Dat is mooi voor de petite histoire , maar als muzikant heb je er niets aan. Want daar sta je dan: net de wei van Werchter platgespeeld en de volgende ochtend moet je in het Belgacomgebouw elektriciteitskabels trekken om de huur te betalen.

Op zich is het een fijne anekdote. Ik genoot er zelfs van, omdat ik wist dat ik niet mijn hele leven kabels zou trekken. Ik heb er altijd in geloofd dat ik ooit met mijn muziek geld zou verdienen. Ik ben dan ook blij dat Songs from a bad hat beter verkoopt. "Omdat de cd toegankelijker is", wordt gezegd. Ze mogen zeggen wat ze willen. Ik ben blij dat ik leef van iets waar ik tevreden over ben. Want als je het bekijkt, heb ik het nog niet zo slecht. Ik heb twee jaar niets gedaan, ik breng een cd uit en er wordt over gesproken. Blijkbaar creëer je verwachtingen als je even van het podium verdwijnt."

Niet dat het een bewuste keuze was. Voor zijn eerste soloalbum, Songs from a bad hat , ging Mauro in zee met producer Dave Sardy. Maar die was op hetzelfde moment druk bezig met de nieuwste cd van Marilyn Manson. Daardoor lieten opname en afwerking van Mauro's cd op zich wachten en kreeg de Italiaans-Poolse Limburger zeeën van tijd om nuttig te besteden. In elk geval tijd genoeg om drie keer zoveel materiaal bijeen te pennen dan nodig is om een cd te vullen.

"Ik werk gewoon sneller dan het ritme van de muziekindustrie toestaat. Vroeger stortte ik me in zevenduizend nevenprojecten om mijn overtollige materiaal te lozen. Nu hou ik dat gewoon achter de hand. Opnemen is altijd dezelfde ellende. Ten eerste is er de stress: het moet nu, want we hebben maar zoveel geld. En ten tweede duurt het zo lang dat je de cd al ontgroeid bent op het moment dat de mensen hem ontdekken.

Je hebt zo van die groepen die het geweldig vinden een deel van hun verleden op te rakelen en telkens weer dezelfde hits spelen. En dat is goed, want iedereen krijgt waar voor zijn geld en iedereen is tevreden. Maar ik functioneer zo niet. Als ik een liedje heb gemaakt, wil ik het spelen. Ik hou er echt van op een podium te staan en de mensen te confronteren met iets wat ze nog nooit gehoord hebben. Ik weet ook wel dat je daarin niet moet overdrijven, en dat het nogal pretentieus is te verwachten van een publiek dat ze je zomaar volgen. Tenzij je een soort band met die mensen hebt opgebouwd, maar dat is wel heel veel gevraagd. Met Evil Superstars hebben we daar een fractie van bereikt. Het publiek ging mee in wat we deden. Dat was fijn voor even, daarna verlang je naar een iets kritischer publiek.

Ik merk dat ik nu meer mensen aanspreek. Ik weet alleen niet of dat met de cd te maken heeft of met de blablabla die eromheen wordt verkocht. Het zal allebei meespelen, zeker? Ergens wordt je een imago opgedrongen, en dan is het dat imago dat de mensen aantrekt. De vraag is dan of je van dat imago gebruikmaakt of niet? Ik denk dat je daar in België niet moet mee overdrijven. Iets als Marilyn Manson lachen de mensen hier gewoon weg. Een enigmatische artiest is in België even ondenkbaar als een correct weerbericht.

In België blijf je altijd midden in het publiek staan. Je kunt nog spreken van intimiteit met het publiek, zelfs op een megaconcert als Werchter. Het hangt volledig van jezelf af. Of je bereid bent pijn te lijden. Dat is een absolute noodzaak. Als je op een podium staat, moet er iets overgebracht worden, dat moet emotioneel zijn en dan moet je even slikken of een pint drinken. Daar achter die microfoon met een gitaar op je buik staan, dat is altijd een beetje naakt voor de spiegel staan. Je moet het doen met wie je bent en met het materiaal dat je hebt en dat is het. Op een vreemde manier geniet ik ervan. Ik ken heel veel schaamte, maar geen schroom.''

It was something I did
Something I said
It's catching up my soul
And it feels so bad
A shot of shame

("Shot of Shame")

"Ik ben nogal graag de underdog in mijn liedjes. Ik noem het 'Belgicana', typisch Belgisch. De Amerikanen begrijpen het niet: hun rockgoden krijgen altijd het meisje, ze kennen geen nederlaag en de pijn is altijd heroïsch. Ik niet. Ik ben een dom Limburgs boertje uit het idyllische Heusden-Zolder. Ik maak niet de helft mee van wat ik schrijf, maar ik moet me niet stoerder voordoen dan ik ben. Dat zou niet werken. Geen hond die dat gelooft.

Mensen vragen me soms over mijn jeugd te vertellen, want dat moet toch vreemd geweest zijn met een Poolse vader en een Italiaanse moeder. En die achternaam, Pawlowski, is ook zo bizar. Ik heb er nooit bij stilgestaan. In de lagere school heb ik misschien een dag gehad waarop ik dacht: het was misschien makkelijker geweest als ik gewoon Jef Peeters had geheten in plaats van Mauro Antonio Pawlowski. De directeur had me toen aan de deur gezet: hij dacht dat ik hem voor de gek hield toen ik hardop mijn naam zei. Achteraf heeft hij volgens mij beseft dat geen kind zoveel fantasie heeft om zo'n naam te verzinnen.

Uiteindelijk heb ik alles vanzelfsprekend gevonden. Muziek, bijvoorbeeld. Bij ons thuis was er overal muziek. Mijn ouders hebben elkaar door de muziek leren kennen. Mijn moeder mocht niet naar buiten van mijn Italiaanse grootvader. Hij wilde haar voor de verderfelijke wereld behoeden. Mijn vader speelde samen met de drie broers van mijn moeder in een band, The Drifters . Ze repeteerden in de veranda van mijn grootvader, en de vurige Italiaanse raakte in de ban van de stille Pool. Het typische verhaal van de extremen die elkaar aantrekken.

Dat hun zoon later in de muziek zou gaan, stond bijna in de sterren geschreven. Met drie jaar imiteerde ik Elvis Presley en was ik fan van Elton John. Ik was zo gemotiveerd om muziek te maken dat ik op een bepaald moment zelf dacht: misschien is het toch beter een gewone baan te zoeken. Maar ik ben snel over die twijfel heen gestapt. Een jaar heb ik in de Ford-fabriek gewerkt. Velgen op paletten plaatsen. Ik was negentien en kwam pas van school. In de weekends speelde ik in een balorkest.

Het was niet de meest opwindende periode uit mijn leven. Het was vooral draaglijk omdat ik wist dat het niet voor altijd was. Mijn vader heeft dertig jaar in de Ford-fabriek gewerkt. Met hem had ik niet willen ruilen. Hij heeft er nooit over geklaagd. Bij ons thuis werd nergens over gezeurd. Op mijn achttien wilde ik stoppen met studeren. Ik had mijn diploma van de middelbare school en ik was vastbesloten nooit nog een stap in een school te zetten. 'Goed', zei ons moeder. 'Maar voor je geld zorgt je zelf. Hier wordt niet genikst.'

Ik heb mijn best gedaan om geld te verdienen. 'Wat wil je doen?' vroeg mijn oom Rocco. Muziek, was het enige antwoord dat ik kon geven. Ik had een flauw vermoeden dat het dat was. Mijn leven hangt aan elkaar van de vermoedens. Als kind ben ik ooit een dag met mijn ooms mee op tournee geweest. We stopten bij een benzinestation om een boterham te eten. In mijn herinneringen zie ik in de verte de zon ondergaan. Het is gekleurd, ik weet het, maar ik voelde toen iets van: dit is het leven. Dit heeft niets met werken en verantwoordelijkheid te maken, het is puur amusement.

Mijn oom loodste me binnen in een balorkest. Alles speelden we: van Guns & Roses tot Zangeres zonder Naam. Het was best gezellig. Zelfs poëtisch bij momenten, maar alleen omdat ik wist dat ook dat niet voor altijd was. Ik speelde gitaar en deed backing vocals . Ik heb er veel dingen geleerd die ik later weer moest afleren. Ik denk soms dat gitaar een instrument is dat je beter niet te goed kunt spelen, om een beetje ruwheid en eerlijkheid te bewaren. Ik heb altijd geweigerd lessen te nemen. Ik werkte met tips. 'Jimi Hendrix deed dat naar het schijnt zo', zei mijn oom dan, en ik bootste hem na. Alles wat Jimi deed, was heilig.

Teksten bekeek ik toen nog niet zo bewust. Op mijn zestiende heb ik wel eens een boek met de verzamelde songs van Bob Dylan uit de bibliotheek meegebracht. Ik had toen een vaag idee van: hier zit iets in, hier ligt een sleutel tot de rest van mijn leven. Maar ik wist bij God niet wat. Ik verstond toen helemaal geen Engels -- tot mijn drie jaar sprak ik trouwens alleen Pools en Italiaans -- en ik was vooral geïnteresseerd in loeiharde muziek.

Ik ben pas op mijn eenentwintigste echt beginnen te schrijven, en nu ben ik zo geëvolueerd dat ik mijn teksten het liefst geen al te spectaculaire begeleiding geef. Soms tot ergernis van de muzikanten. 'Jezus, Mauro. Weer een ballade!' Dan zet ik er maar snel een harde gitaar op. Niet altijd met de volle goesting, want op het moment dat de muziek op de voorgrond treedt, verandert de functie van de tekst. Ga maar eens na, alle goede muzikanten schrijven slechte nummers en alle goede songschrijvers, zijn slechte zangers. Bob Dylan en Lou Reed? Prachtige teksten, maar ze kunnen niet zingen. Thom Yorke en Jeff Buckley? Fenomenale stemmen, hun teksten lijken nergens naar. Ik weet niet hoe het bij mij zit. In stilte hoop ik dat ik een uitzondering vorm op de regel. Maar eigenlijk wil ik vooral goeie teksten schrijven."

It's love once again
I am doing what I can
In a powerless attempt
To make you mine

(,,Love once again'')

"Er zijn maar twee soorten liedjes: liefdesliedjes en protestsongs. En protestsongs zijn eigenlijk versluierde liefdesliedjes. Dus is er maar een soort liedje: het liefdeslied. Alles is een liefdeslied. Ik denk zelfs niet dat ik over iets anders kan zingen. Want wat is er anders? Zonder liefde is er alleen leegte. Waarschijnlijk vinden filosofen duizend andere zaken om over te praten. Ik heb alleen de liefde. Die is altijd en toch ook nooit hetzelfde en iedereen herkent er wel iets van."

"Zullen we nog iets bestellen?" vraag hij tussendoor. "Ik heb koffie nodig." Gillend als een stoomfluit slaat de koffiemachine aan. We pauzeren even. "Ik ben aan het afwijken, hé", zegt Mauro. "Ik doe het altijd. Als ik het over liefde moet hebben. Of over vrouwen. Dan vind ik de woorden niet. Al wat ik erover denk, staat in mijn teksten. Ik vind het zo moeilijk om erover te praten. Een vrouw is zo overweldigend. Het is met angstige verwondering dat ik naar vrouwen kijk.

Eigenlijk komt het erop neer dat ik ontzag heb voor heiligdommen. Het is waarschijnlijk clichématig Italiaans, maar op mijn manier ben ik heel vroom. Een heiligdom is een ernstige zaak, en een vrouw is dat ook. Je kunt er niet licht overheen gaan en op het moment dat je niet oppervlakkig kunt zijn, moet je jezelf bloot geven en doe je het bij wijze van spreken in je broek. Liefde en vrouwen en hoe ermee om te gaan, het is zo delicaat allemaal. Soms kun je iets verpesten door een verkeerde beweging. Het is een beetje als de clown in het circus die borden op een stok in evenwicht houdt. Tegelijkertijd moet hij luchtig en vrolijk doen, want hij is een clown, maar ondertussen zijn er die borden die hij in het oog moet houden. Want als ze vallen, krijgt hij ze op zijn hoofd.

Liefde is het vreemde balanceren tussen fascinatie en vertrouwelijkheid. In mijn teksten overdrijf ik dat, natuurlijk. Ik ben altijd de hunkerende macho, maar dat is om het interessant te houden. En ook een beetje hilarisch. Want ik hoop van harte dat niemand dit au sérieux neemt. Mijn teksten zijn doorspekt met vette knipogen. Dat vind ik eigenlijk het boeiendste. Doen alsof je iets onthult en eigenlijk het mysterie nog vergroten. De Italianen noemen dat een gagliardo , een sluwe vos. Het is een manier om in het leven te staan. Om je te wapenen.

Vreemd, maar ik heb zo het flauwe vermoeden dat alle vijffrankregels uit de psychologie van mij op toepassing zijn. Ik heb me nooit een buitenstaander gevoeld, of anders dan anderen, zelfs niet toen ik mijn haar inzeepte en met zwarte oogschaduw rondliep. Maar er is een periode geweest in mijn leven waarvan ik dacht: dit nooit meer. Ik was nogal laat met haargroei in het gezicht en het was me niet aan te zien of ik een jongen of een meisje was. Nu zou dat bijzonder cool zijn, de androgynie in eigen persoon. Toen was dat een ramp. In donkere fuifzalen werd ik al eens lastiggevallen door oudere jongens die dan bovendien woedend werden als ze hun vergissing merkten.

Of nog: ik was vijftien en ging met mijn moeder een skipak kopen. 'Is het voor haar?' vroeg de verkoopster, en daarmee bedoelde ze niet mijn moeder. Maar het ergste waren de obsceniteiten. Ik denk dat daar mijn afgoderij van de vrouw is ontstaan. In de zin van: wauw, wat zij allemaal moeten doorstaan. Het is natuurlijk ook mogelijk dat ik een ordinaire Italiaan ben die door iedere vrouw die hij tegenkomt, wordt overdonderd. Al mijn neven en ooms gaan nog steeds naar de wc bij mijn oma. Het is de enige plek waar ze zich echt op hun gemak voelen."

©Copyright De Standaard