De Morgen column
__________________________________________

Taken from De Morgen 22-04-2003

Straks gaan ze tellen

Het type - bereikbare - mens, dat ik het zeldzaamst ontmoet heb in mijn leven, is de politicus. (Nu ik erover denk, een lijk heb ik ook maar zelden meegemaakt.) Het is er gewoon niet van gekomen. In mijn omgeving wou iedereen vooral een simpel, leuk leven. Er werd wel eens over politiek gepraat, maar op een manier die de verworven informatie uitleggen liet als toegeworpen kruimels, een puzzel voor de arbeidersklasse: die met duizend ontbrekende stukken. En maar goed ook misschien: als iedereen alles wist, het zou wat geven. Er is nu al geld te kort.
Een enkeling met tijd te veel om zelf op onderzoek uit te gaan, kreeg al snel een nare blik in de ogen, alsof hij rondliep met een verschrikkelijk geheim, en er nog van genoot ook. Wat wist hij? Met wie ging hij om? Waarom praatte hij gedecideerder? Was hij lid van een sekte geworden? Wij (mezelf plus een hoop neven en buren), cultureel druk bezig ons te ontplooien door video's van Bud Spencer en Terence Hill of 'gevonden' sekspockets (harde comics, genre 'Vampirella'), ons opgelegd door de ouderen (een hoop neven en buren), waren daar niet echt mee bezig.
Ik kende echter iemand, een achterneef, van wie ik wist dat hij me door een waas van vragen gidsen kon, aangaande politieke mysteriën. Deze enthousiaste man, een beetje verwijfd en in het wilde weg belezen, verstond de kunst om, van op de barkruk, mensen ongevraagd te imponeren, door literatuur na te bootsen, wat de meesten een gevoel van medelijden ontlokte, als voor een zenuwzieke. Maar ik moest vooruit en sprak hem aan. Hij bestelde een thee, draaide zich naar me toe, en stak van wal:
"In de tuin van een groot, dreigend overheidsgebouw rookt hij een sigaret, een hand in de broekzak, een beetje ineengekrompen door de frisse wind: lage lentewolken bezetten België. Terwijl hij kort hoest, wuift hij terug naar een achter een hoge raam wenkende collega, die hem vervult met weerzien. Even geen zin in praten. Het alleenstaan opent als altijd de roestige poorten van zijn ziel, waarbij gedachten en herinneringen zich aanmelden, luidruchtig als kleuters, blind verdringend naar een plaats in de zandbak. Hun opzichter, een virtuoze illusionist, schudt de kaarten, waarvan hij, met een draaibeweging van zijn knokige vingers, er in woeste snelheid telkens één uitpikt en toont: plannen voor de avond, verveling, zijn vader, een knappe collega, eten, drinken, een foto uit de krant, een flard muziek, een opmerking ...

Het weer en de vogels geven hem een mystieke hint, maar lichamelijke opwinding neemt dan toch de bovenhand, waartegen hij zich niet verzet. Fronsend, rook uitblazend, trapt hij de sigaret uit, en zijn aandacht kaatst terug naar zijn onderbroken taak: Het Document met daarop De Resolutie; verdicten die zullen worden uitgezaaid over het hoofd en rond de nek van de mensen daarbuiten, waar hij grijnzend medelijden om voelt. Dan: een weemoedige zucht, gevolgd door een heet flitsend visioen van een gestriemde kinderbil, waarna hij, zich discreet boven zijn lies krabbend, weer naar binnen stapt."
Het geeft me nog steeds stof tot nadenken, van toepassing op mijn huidige situatie. (Heeft degene die zich uitdrukt door middel van muziek, oftewel contact zoekt door een ontwijken van administratief bruikbare taal, recht van spreken? Nu ja, één melodie zal het verschil niet maken, honderdduizend woest opgedrongen melodieën, daarentegen... Maar moet de hele wereld niet kunnen meeklappen in datzelfde, herkenbare ritme, ook de jongen met de opgeofferde armen? In welke fase van het leven wordt men politicus? Moet men niet heel vroeg beginnen om ergens goed in te worden? Zoals Mozart of Michael Jackson. En als de politiek een roeping is, hoe kan men dan het geloof, of ongeloof, in God voor zijn, voordat er weer een slecht voorbeeld gegeven wordt? Kan iemand een arme satanist hiermee helpen?)
De eerste keer dat ik ging stemmen, werd ik, zoals iedere dorpsbewoner, bij het buitengaan "een prettige dag verder" toegewenst door De Racistische Partij. "Ik denk van niet", antwoordde ik, overdreven hoffelijk. Het werd even stil. Tot het schooltje waar het stemmen plaatsvond, opgeschrokken werd door een luid gescandeer, als van een oude supporter tot een amateur-scheidsrechter: "Dat zullen we nog wel eens zien! Hahaha! Straks gaan we tellen! Hahaha! Tellen! Jaja! Hahaha!"
Vaarwel adolescentie, dacht ik bij mezelf: op naar nieuwe, wrange festiviteiten.

Mauro Pawlowski