| 
Straks
gaan ze tellen
Het
type - bereikbare - mens, dat ik het zeldzaamst ontmoet heb in mijn
leven, is de politicus. (Nu ik erover denk, een lijk heb ik ook
maar zelden meegemaakt.) Het is er gewoon niet van gekomen. In mijn
omgeving wou iedereen vooral een simpel, leuk leven. Er werd wel
eens over politiek gepraat, maar op een manier die de verworven
informatie uitleggen liet als toegeworpen kruimels, een puzzel voor
de arbeidersklasse: die met duizend ontbrekende stukken. En maar
goed ook misschien: als iedereen alles wist, het zou wat geven.
Er is nu al geld te kort.
Een enkeling met tijd te veel om zelf op onderzoek uit te gaan,
kreeg al snel een nare blik in de ogen, alsof hij rondliep met een
verschrikkelijk geheim, en er nog van genoot ook. Wat wist hij?
Met wie ging hij om? Waarom praatte hij gedecideerder? Was hij lid
van een sekte geworden? Wij (mezelf plus een hoop neven en buren),
cultureel druk bezig ons te ontplooien door video's van Bud Spencer
en Terence Hill of 'gevonden' sekspockets (harde comics, genre 'Vampirella'),
ons opgelegd door de ouderen (een hoop neven en buren), waren daar
niet echt mee bezig.
Ik kende echter iemand, een achterneef, van wie ik wist dat hij
me door een waas van vragen gidsen kon, aangaande politieke mysteriën.
Deze enthousiaste man, een beetje verwijfd en in het wilde weg belezen,
verstond de kunst om, van op de barkruk, mensen ongevraagd te imponeren,
door literatuur na te bootsen, wat de meesten een gevoel van medelijden
ontlokte, als voor een zenuwzieke. Maar ik moest vooruit en sprak
hem aan. Hij bestelde een thee, draaide zich naar me toe, en stak
van wal:
"In de tuin van een groot, dreigend overheidsgebouw rookt hij
een sigaret, een hand in de broekzak, een beetje ineengekrompen
door de frisse wind: lage lentewolken bezetten België. Terwijl
hij kort hoest, wuift hij terug naar een achter een hoge raam wenkende
collega, die hem vervult met weerzien. Even geen zin in praten.
Het alleenstaan opent als altijd de roestige poorten van zijn ziel,
waarbij gedachten en herinneringen zich aanmelden, luidruchtig als
kleuters, blind verdringend naar een plaats in de zandbak. Hun opzichter,
een virtuoze illusionist, schudt de kaarten, waarvan hij, met een
draaibeweging van zijn knokige vingers, er in woeste snelheid telkens
één uitpikt en toont: plannen voor de avond, verveling,
zijn vader, een knappe collega, eten, drinken, een foto uit de krant,
een flard muziek, een opmerking ... |
Het
weer en de vogels geven hem een mystieke hint, maar lichamelijke
opwinding neemt dan toch de bovenhand, waartegen hij zich niet verzet.
Fronsend, rook uitblazend, trapt hij de sigaret uit, en zijn aandacht
kaatst terug naar zijn onderbroken taak: Het Document met daarop
De Resolutie; verdicten die zullen worden uitgezaaid over het hoofd
en rond de nek van de mensen daarbuiten, waar hij grijnzend medelijden
om voelt. Dan: een weemoedige zucht, gevolgd door een heet flitsend
visioen van een gestriemde kinderbil, waarna hij, zich discreet
boven zijn lies krabbend, weer naar binnen stapt."
Het geeft me nog steeds stof tot nadenken, van toepassing op mijn
huidige situatie. (Heeft degene die zich uitdrukt door middel van
muziek, oftewel contact zoekt door een ontwijken van administratief
bruikbare taal, recht van spreken? Nu ja, één melodie
zal het verschil niet maken, honderdduizend woest opgedrongen melodieën,
daarentegen... Maar moet de hele wereld niet kunnen meeklappen in
datzelfde, herkenbare ritme, ook de jongen met de opgeofferde armen?
In welke fase van het leven wordt men politicus? Moet men niet heel
vroeg beginnen om ergens goed in te worden? Zoals Mozart of Michael
Jackson. En als de politiek een roeping is, hoe kan men dan het
geloof, of ongeloof, in God voor zijn, voordat er weer een slecht
voorbeeld gegeven wordt? Kan iemand een arme satanist hiermee helpen?)
De eerste keer dat ik ging stemmen, werd ik, zoals iedere dorpsbewoner,
bij het buitengaan "een prettige dag verder" toegewenst
door De Racistische Partij. "Ik denk van niet", antwoordde
ik, overdreven hoffelijk. Het werd even stil. Tot het schooltje
waar het stemmen plaatsvond, opgeschrokken werd door een luid gescandeer,
als van een oude supporter tot een amateur-scheidsrechter: "Dat
zullen we nog wel eens zien! Hahaha! Straks gaan we tellen! Hahaha!
Tellen! Jaja! Hahaha!"
Vaarwel adolescentie, dacht ik bij mezelf: op naar nieuwe, wrange
festiviteiten.
Mauro
Pawlowski
|